Naar een nieuwe Benelux

Achtergrond

Op 1 november 2010 loopt het op 3 februari 1958 te 's Gravenhage totstandgekomen Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Nederlands Tractatenblad 1958,18) af. Het Benelux-verdrag blijft op grond van artikel 99, tweede lid, vervolgens voor achtereenvolgende tijdvakken van tien jaren van kracht, tenzij een van de partijen, een jaar voor de afloop van het lopende tijdvak, de andere partijen in kennis stelt van haar voornemen, het Verdrag te beëindigen.

In België, Nederland en Luxemburg, is een aanzet gemaakt tot het opstarten van de discussie over de toekomst van de Benelux. Vragen die beantwoord moeten worden, zijn op welke terreinen de Benelux een toegevoegde waarde heeft ten opzichte van andere bestaande structuren (met name de EU), de verhouding tussen de Benelux als politiek platform en als organisatie (de Benelux Economische Unie), en de rol van het Secretariaat-Generaal te Brussel, het Benelux Parlement en het Benelux-Gerechtshof.

Het doel van het Comité Nieuwe Benelux is te bevorderen dat de drie Lidstaten België, Nederland en Luxemburg een nieuw Benelux-verdrag zullen sluiten in opvolging van het huidige. Het algemeen inzicht is dat de betrokken partijen het jaar 2009 nodig zullen
hebben om de bepalingen van een nieuw verdrag vast te leggen zodat het goedkeurings-
en ondertekeningsproces begin 2010 kan plaatsvinden.

Het lijkt voor de hand te liggen de kern van het huidige verdrag te behouden, zaken die achterhaald zijn door de EU te elimineren, bestaande verdragen tussen de drie Lidstaten (zoals politionele samenwerking, ruimtelijke ordening, milieu en verkeer, het Schelde-verdrag e.d[1].) daarin op te nemen en nieuwe vormen van samenwerking op gebieden als immigratie, veiligheid, energie, criminaliteitsbestrijding en politieke samenwerking daarin op te nemen.

 

Uitdaging: Politieke Samenwerking

Dit laatste aspect, politieke samenwerking, wordt door de Stichting Nieuwe Benelux benadrukt omdat op die wijze een situatie ontstaat waarbij de Benelux evenveel stemmen heeft binnen de Europese Ministerraad als de vier grootste Lidstaten Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Italië, namelijk 29.  (België 12 stemmen, Nederland 13 stemmen en Luxemburg 4 stemmen) Op die manier zou de Benelux –zoals zij een voortrekkersrol speelde op het vlak van economische samenwerking – een voorbeeldfunctie kunnen vervullen bij het tot stand komen van een Politieke Unie zoals er reeds een Economische Unie en een Monetaire Unie zijn ontstaan. Het is dan wel wenselijk dat zon Benelux Politieke Unie niet meer zou werken op een ad hoc - basis, zoals nu het geval is.

Deze samenwerking zou daarentegen een verdragsmatig en dus institutioneel karakter moeten krijgen. De onderlinge afspraken zouden, zeker in Europees verband, bindend
moeten zijn, ook voor opeenvolgende regeringen. Voor zon structurele versterking van
de Benelux-samenwerking pleit minimaal een drietal redenen[2] als volgt:

1) Dreigende marginalisering: Ten eerste het perspectief van de uitbreiding van de Europese Unie: De kwantumsprong van 15 naar 27 of meer leden betekent voor iedervan
de huidige lidstaten een relatieve achteruitgang in positie. Het vooruitzicht gedegradeerd
te worden van founding father tot slechts één van de pakweg 27 lidstaten is allicht voor kleinere landen als België, Nederland en Luxemburg weinig aanlokkelijk. Maar ook zonder
het schrikbeeld van marginalisering biedt deze uitbreiding voldoende reden om met grotere inspanning de mogelijkheden tot samenwerking uit te diepen, al was het maar om binnen
het in de toekomst nog bontere gezelschap van lidstaten het eigen geluid te laten klinken.

2) Tegenwicht aan de groten: Verder is er de sterker wordende neiging van de grote lidstaten om het voortouw te nemen binnen het Europese gezelschapsspel. Zo'n meer manifeste rol van deze landen is eigen aan de fase waarin het integratieproces verkeert.
Dat geldt wel in het bijzonder voor de veiligheidspolitieke en militaire ambities van de Unie. Deze hebben, gegeven het intergouvernementele kader waarbinnen zij vooralsnog moeten worden verwezenlijkt, slechts kans van slagen bij aanvaarding van de bijzondere verantwoordelijkheid van de grote landen. Maar juist dan kan de mobilisering van enig effectief tegenwicht door middel van gezamenlijk optreden van de Benelux-landen nooit kwaad om al te grote eigengereidheid van de groten' te voorkomen.

3) Het belang van een sterke communautaire structuur: Tot slot is er de reeds genoemde discussie over de toekomst van de Unie. Daarin gaat het niet, zoals wel beweerd wordt, om de vaststelling van een dwingende federale blauwdruk van het einddoel van de integratie. Inzet van dit debat is niet de vraag naar de politieke finaliteit, maar die van de toekomstige richting van het integratieproces. Simpel gezegd, een integratieproces dat zich sterker langs intergouvernementele lijnen zal ontwikkelen, dan wel een Unie die geënt is op blijvend sterke communautaire en supranationale structuren. Een vraag die toch in het bijzonder kleinere lidstaten als België, Luxemburg en Nederland zou moeten aangaan. Het klassieke leerstuk luidt immers dat juist de kleinere landen belang hebben bij een evenwichtige, maar vooral krachtige communautaire structuur.

 

Behoud van voordelen voor de Benelux

Indien men de kern van het huidige Benelux-verdrag behoudt en het vernieuwde verdrag
het karakter geeft van een verlenging van het huidige, zouden de voordelen die de Benelux Lidstaten te beurt vallen onder de termen van de machtigingsclausule uit Art. 306 van het
EG-verdrag behouden kunnen blijven. Deze clausule geeft de drie Benelux-partners mogelijkheden die andere Lidstaten en subregionale groeperingen van de Europese Unie moeten ontberen. In hun onderlinge samenwerking mogen zij verder gaan dan de Europese Instellingen en – voor zover nodig en binnen de grenzen der evenredigheid – zelfs maatregelen nemen die ingaan tegen de Europese regels en aldus, bijvoorbeeld, aan hun respectieve onderdanen voordelen toekennen die niet aan de onderdanen van andere
EU-Lidstaten worden toegekend.[3]

 

Politieke krachtenbundeling

Kortom, de Benelux kan in politiek opzicht een nieuwe toekomst tegemoet gaan. Een krachtenbundeling in een hecht politiek samenwerkingsverband stelt de Benelux in staat
om bij de onderhandelingen binnen de Europese Unie als een politieke eenheid op te treden. Door het voortouw tot zo'n politieke krachtenbundeling te nemen kan de Benelux andere kleine lidstaten inspireren dat voorbeeld te volgen. Denk bijvoorbeeld aan bestaande overlegstructuren zoals die tussen de Scandinavische landen (Denemarken, Noorwegen en Zweden) en de zogenaamde Visegrad-staten (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) die eveneens verder zouden kunnen worden geïntensiveerd.  Zo kan de Benelux samen met andere kleine lidstaten een tegenwicht opbouwen tegen de politiek van de grote lidstaten.

 

Manifest 'Naar een nieuwe Benelux'

Het Comité Nieuwe Benelux' is een initiatief van dr. S.W. Couwenberg emeritus hoogleraar staats- en bestuursrecht Erasmus Universiteit Rotterdam), dr. H. Gysels (emeritus hoogleraar biologie en ecologie Universiteit Gent) en mr.  P. van Haute (ambassadeur honoraire Brussel). Op 15 maart 2005 overhandigde het Comité het Manifest Naar een nieuwe Benelux aan het directorium van de Interparlementaire Beneluxraad in Den Haag. Dit Manifest is inmiddels door een groot aantal vooraanstaande wetenschappers, politici en vertegenwoordigers van uiteenlopende maatschappelijke instellingen ondertekend. [4] De tekst van het manifest is te vinden op de website van het Comité: www.Benelux2010.com

Tijdens directe contacten met politici en regeringsleiders vraagt het Comité aandacht voor de wenselijkheid tot een nieuw Benelux-verdrag te komen dat de verworvenheden behoudt en in zal gaan op de uitdagingen van de toekomst.

Comité Nieuwe Benelux
Secretariaat
Tiensevest 90/202
B 3000 Leuven
peedirix@gmail.com


[1] Ref. Benelux-Almanak
[2] Ref. Instituut Clingendael; Strategic Studies: Prof.J. Rood
[3] Ref. Verslag van De Orde van den Prince 11 november 2006
[4] Midden december 2009 reeds ruim 500